inicio • fundación • actividades • coleccion • exposiciones • biografias • contacto

 

 
Jan van Eden

Dagboek vader Cornelis (Cees) van Eden

 

1942 - 1943

 

 

Dagboek van mijn vader 1942-1943

17 Maart 1942 - De geboorte van zijn zoon Jan Gerrit

4 Mei 1942 en 9 April 1942 - Oorlogsperikelen

9 April 1942 - de dood van zijn zus Annie van Eden-Klijn en de relatie met Maarten Klein

27 April - een levensles van zijn vader Jan Gerrit van Eden

 

17 Maart 1942 - De geboorte van zijn zoon Jan Gerrit

Ik voel niet in het minst de lust, een dagboek aan te leggen, maar toch dringt zich bij mij het verlangen op, in het vervolg een en ander vast te leggen omtrent dié ervaringen, welke als levenslessen en als mijlpalen op den weg des levens worden aangevoeld.

Gisteren de dag, waarop onze kleine Jan Gerrit geboren werd. 18.58 Middeneuropeesche tijd in zijn naaktheid uit het beschuttend moederlijf weggehaald met het instrument, gehanteerd door de kundige hand van dokter Bijloos, den gynaecoloog van St Antoniushove;19.00 precies het eerste huilen, wat de dokter noemt het eerste teken van ontevredenheid met het aardsch bestaan. 2 kleine roode moetjes bij de slapen herinneren ternauwernood aan het feit der tanggeboorte: het kind is als een gaaf en blank wezentje ter wereld gekomen, hoezeer ook de driemaal om het halsje gewikkelde navelstreng en de hechte nauwe scheede van de moeder daarvoor beletselen vormden. 3400 gram weegt het knaapje, dat aan de zorgen van Guus en mij wordt toevertrouwd. Het rossigblonde hoofdhaar, het platte neusje -het neusje nog welgevormd - verraden mijn vaderschap onloochenbaar. Het ronde toetje waarin de uitstekende kin van den vader vergeefs wordt gezocht, teekent naar de moeder. De jonge moeder, mijn vrouwtje, dat zo moedig de verlossing tegemoetging en doorstond, zie ik voor mij in het ledikant in e verloskamer van St Antoniushove. Haar de eer, dat zij ons beider kindje meer dan voldroeg, ons kindje, wij weten het beiden, dat niet uit hartstocht geboren kón worden, ons kindje, waarvan de conceptie zoo naarstig werd nagestreefd bij onzen gang van specialist tot specialist: van Broere naar Premsela, van Premsela naar Schellekens. En juist omdat het niet uit hartstocht kon worden geboren kunnen wij rekenen. Wij weten, dat we slechts 2 of 3 dagen mis kunnen zijn, als wij als vermeodelijken datum der conceptie 12 Juni 1941 aanhouden. Schellekens en Bijloos wàchtten de geboorte op 6 maart: Jan Gerrit zou zijn moeder 10 dagen laten bezwaren. Ik grijp terug naar de bevalling, Maandag 9 Maart kondigde zij zich aan door pijn links in de lendenen [...]

Het geduld van de aanstaande moeder werd lang op de proef gesteld. En als om een afleiding te krijgen, gaat zij als de lange vorstperiode plaats maakt voor zachter weer, dat ons de naderende lente aankondigt, buiten de ramen en kozijnen een beurt geven, als zelden tevoren.

[...]

Maandagmorgen: weg is de pijn in de lendenen, zij maakt plaats voor weeë pijnen, die met tussenpoozen van 6 a 7 en soms 15 minuten door den geheelen buik heengaan. Wij weten, de tijd om dokter Bijloos te waarschuwen is gekomen, de hoop dat de kleine op den vertrouwden 16den van de maand zal worden geboren, wordt zekerder. En de dokter meent inderdaad, dat Guus vroeg in de middag naar het ziekenhuis moet komen. Half 2 gaan wij samen met de taxi van garage Booy. De weeën, die de laatste uren 5 a 6 minuten pijnlijk voelbaar waren, zijn welgezind en wachten. Hartelijk wuiven tante Guurt, die het huishouden zal waarnemen, de buren: Til Zonnevijlle,Truus van Kersen, Jel van Noppen, mevrouw Strijker, mevrouw van Woerkom, haar sexegenoot, die zoo welgemoed het grootsche gebeuren tegemoetgaat, na. Zij weten niet, dat het vrouwtje enkele seconden later, in het besef, hoe vertrouw en lief haar het plekje werd, waar haar kindje zijn praenataal stadium doormaakte, waar ons huwlijk zich ontwikkelde tot de eenheid waartoe twee eenzame menschen kunnen komen, war Boy haar tot lieven steun werd, mijn hand zal grijpen, haar ontroering niet meer meester. Op dit moment moet jij voelen, wat de “gezellige” bevalling thuis waard zijn moet. Maar weten beiden: het is beter zoo, ook wanneer de tijden normaal waren!

Plm. 2 uur in het ziekenhuis, kan ik mij zeker nog 2 uren verwijderen. De bevalling schijnt door het uitblijven der heftige weeën nog wel een heele poos op zich te zullen laten wachten. De verpleegsters moeten de opgenomene nog klaarmaken voor de verlossing: als in 1939, toen Dr Broere te Alkmaar het maagdenvlies langs operatieven weg verwijderde, zal ook nu het schaamhaar worden weggenomen. 4.30 ben ik terug. Ik heb het brood bij mij en Van Bemmelen’s “Egyptiana” als ontspanningslectuur. Ik zet mij vast en weet, dat ik van het bedongen recht, in de naaste uren aan Guus’ zijde te staan, geen afstand zal doen. Maar evenzeer weet ik, dat zelfbeheersching geboden zal zijn. Maar stel ik mij dan al  niet jaren op het standpunt, dat men zich in het bijzijn van vreemden niet aan zijn gevoelens mag overgeven? Heeft dit Engelsche ideaal mij al niet sinds jaren tot richtsnoer gediend? Moeder Van Eden vroeg mij, man te zijn in de uren van Guus’ bevalling. En ik vertoonde den man. En man zijn is zelfs niet mogelijk voor degenen, die wij Kerels noemen.

Waartoe brood? Waartoe lectuur? Met mij keren bij Guus de weeën van thuis terug. De ontsluiting herneemt haar gang. De weeën zijn van dien aard, dat iemand, die dergelijke  pijnen dagenlang doormaakt, krankzinnig wortden moet. Het is mij al niet onbegrijpelijk meer, dat vrouwen, die daartoe aanleg hebben, tijdens baring krankzinnig kunnen worden. Ik heb mijn eerste les te pakken, al weet ik, dat Guus zich er doorheen zal slaan zonder dergelijke aberraties.

4.30, als dokter Bijloos de kamer verlaat, adviseert hij mij nog eenige uren weg te gaan. De bevalling zou zelfs nog wel tot den volgenden morgen kunnen uitblijven. Gelijk geschreven, was mijn plan gemaakt. Ik voel mij eigenwijs, blijf evenwel.

5.30 Guus belt om een zuster. Zij ligt in bloed en vuil. Gealarmeerd geeft dokter Bijloos opdracht tot overbrenging naar de verloskamer. Deze geschiedt snel. Men vraagt mij buiten de deur te wachten, men zal mij waarschuwen, zoodra Guus in het ledikant is neergelegd. Ik wacht: de enkele minuten zijn mij evenvele uren. Ik hoor achter de deur Guus kermen in barensnood. Ik ken mijn recht en weet mijn plaats, treed ongeroepen binnen en word geduld. Guus weet niet, dat men haar het water gebroken heeft. De weeën volgen elkaar op met tuschenpoozen van enkele minuten. Guus helpt moedig mede, beter leert mee te helpen. De medewerking door de barende vrouw blijkt mij een slag te zijn, het vermogen daartoe niet zonder meer door de natuur gegeven. Guus leert het en perst. Het zweet staat haar op het gezicht. Zij vergaat van de dorst, maar water krijgt zij niet, zij zou het slechts uitbraken. Guus perst. Zij ziet in het gezicht paars van inspanning, haast even paars als de met bloed vervuilde omgeving der scheede. Zij perst en blaast – een blaaster noemen medici deze vrouwen – en ’t is mij duidelijk, hoe een bevalling voor hartlijdsters niet minder dan de dood betekenen kan. Het moederschap verwerft in dit uur mijn bijzonder respect, althans dit moederschap, dat op handen is. En het flitst door mij heen, hoezeer toch vader- en moederschap functioneel verschillen. En ik voel aan, hoe een moeizaam verkregen moederschap een gelouterd moederschap moet zijn. En de vrucht schiet op, streep voor streep. Dokter Bijloos helpt zacht en leidt. Geus bekken is ruim genoeg. Wij wisten dat, maar ook weten wij dat de schede het kind niet zal doorlaten. Het hoofdje is te zien, het behaarde kopje dringt en komt nu niet verder meer. Geus heeft het persen geleerd en doet het hare. Wat voor haar een marteling is, is voor mij een marteling. Ik roep mij, ik roep ons ter verantwoording. Ik weet, dat wij in dit uur één zijn. Wij hebben bewust het ouderschap geweerschot en wij aanvaarden de consequenties. Wij hebben deze beproeving gewild en willen haar nog. Wij wanhopen niet en vertrouwen. Wij weten, dat hier een vakman de bevalling leidt, de zusters zijn in het vak bedreven. 6.45: Bijloos weet, dat de schede de uiterste elasticiteit bereikte. En als geldt het de gewoonste zaak ter wereld: de reeds tevorengeprepareerde tang zal het kind moeten halen. Voorzichtig, maar met vaste handen worden de deelen weerszijden in de scheede om het hoofdje geplaatst. De deelen worden tot tang gekoppeld. Het gasvormig narcoticum, Guus regelmatig tijdens de bevalling toegediend, wordt thans gebruikt om haar in slaap te brengen. Het is de slaap van de vermoeide, korte snurkende geluiden, amechtig, licht schuim op de mond. Nadat de scheede met krachtige knippen – ik tel er 5- is verwijd, is de medewerking van Guus overbodig geworden. Dokter Bijloos gaat op de knieën recht in bed, spant zijn spieren en trekt een wonder van perfectie, een mensche, een jonksken. Het is 18.58. Ik verbeeld mij, dat ik een licht kikje hoor. Het afbinden en doorknippen van den navelstreng geschiedt in een oogwenk door geoefende doktershand. De kleine wordt in de waschbak gedompeld, hij huilt. Jan Gerrit van Eden, weer een J.G.van Eden CZn. Een stamhouder heeft zijn levensweg aanvaard op het moment, dat de zware klok van de RK kerktoren te Voorburg haar zeven slagen boven het stadje uitzendt.

Het kindje is het wonder, dat het wonder gelaten wordt. Mijn aandacht is voor de moeder, die zoo dapper doorstond en die mij in dit uur na was als nooit tevoren. Het huwlijk een climax tot nooit gedroomde hoogte. Een eeuwigheid van 1½ uur slechts in de verloskamer heeft Guus het verlangde pand gebracht.

Wat volgt is slechts afwerking. De nageboorte komt na 15 minuten zonder dralen. De lange navelstreng laat niet na, de aandacht van dokter en zuster te trekken. Wederom wordt Guus verdoofd, dieper dan tevoren. Dokter Bijloos hecht de wonden, door hemzelf aangebracht, diepe kerven. Zelfs mijn assistentie is noodig om de gespreide benen van Guus in bedwang te houden, gelijk ik bij de persing naar beneden van het kind de rechter arm deed. 15 Hechten worden aangebracht. Guus wordt hersteld, als waren er nimmer insnijdingen geweest. Over 14 dagen zal een en ander vergroeid zijn.

Terecht meent dokter Bijloos, dat ik mij gelukkig mag heeten, dat de verlossing niet thuis plaats had. En ik prijs ons in stilte gelukkig, dat wij dokter Bijloos de verlossing toevertrouwden. Ons bracht de 16e maart verdieping, geen verrassing. Wij hadden het ons beiden zoo gedacht en niet anders.

Guus vertelt, dat zij naar haar eigen bed gebracht werd, waar zij koffie en beschuit met graagte verorberde, dat zij een spuitje kreeg om haar in slaap te brengen, dat dit niet hielp, omdat zij slechts op den rug mocht liggen en door pijn in de rechterzij gekweld werd. Zij vertelt, hoe ook zij verlangde naar ons eerste wederzien, nadat alles was doostaan, op den 17e Maart des middags 3 uur. Hoe zij het apprecieerde, dat moeder Bolding nog even op den gang wachtte, om deze eerste ontmoeting mogelijk te maken. Het was van deze ontmoeting, waarvan Bep v.d. Spek de verontachtzaamde getuige was, dat wij elkaar even in de oogen keken, in dat moment slechts dank brachten voor wat wij behielden in elkaar en voor datgene,wat ons geschonken werd. Een moment om niet te vergeten. Guus vertelt, hoe alles haar bij dit wederzien lichter scheen.

 

Mijn eerste nacht van het vaderschap was kort maar diep: half 2 tot half 7. Toch stond ik eerst 9 uur op. Voor mijn opstaan wordt het wonderlijk gebeuren nogeens doorleefd, doorvoeld en vooral doordacht. En ik weet, dat de hoogtepunten, die Guus en ik totnutoe samen beleefden, als factoren in onze huwelijksche verbondenheid, gisteren overtroffen werden. Het staat mij thans helder voor de geest, dat wij geen geluk kennen, dat niet uit leed geboren werd. Ik vraag mij af, welke genadige macht toch weer steeds de gewenschte uitkomst brengt. Ik herinner mij, hoe mijn door Thierens vervaardigde horoscoop – een geschrift overigens, waarover mijn definitief oordeel nog niet gevormd is – schrijft, dat de ware religie in mij, religieus van aanleg, door het leven zelf ontwikkeld moet worden. De tekst, te graveren in een voor Guus gekochte antieken geboortelepel, wordt in dezen ochtendstond van: “wij danken in ootmoed, wij willen Vader en Moeder zijn” veranderd in “smart en genade pijlers van ons geluk”. De lepel zal zijn een familiestuk, dat herinnert aan de grondlegging van ons gezin en dat nu de pasgeborene stamhouder is bovendien zal herinneren aan de  vergrote kans, dat de naam ener familie, niet zeer illuster, maar toch ook weer niet zonder betekenis, sociaal-historisch bezien, in het dorp van herkomst, Krommenie, zal blijven voortleven.

 

Jan Gerrit, je vader groeide op in het genoemde dorpje van herkomst. 30 jaren lang heeft hij daar gewoond. Dat hij daar tot een familie van kleine dorpsstanding behoorde liet niet na hem althans enigszins te beïnvloeden. Jij zult opgroeien los van kleine traditie. Jij zult zijn een stadsjongen, wellicht een migrantenkind. Weet, dat reeds nu je ouders geen gr4ootsche daden van je verwachten. Zij willen zijn Vader en Moeder in den waren zin en zullen dankbaar zijn, als jij je uit dezen “Umbruch der Zeiten”, waarvan je jezelf nog niet bewust bent, zult weten te ontwikkelen tot een goed Nederlander.

 

4 Mei 1942 en 9 April 1942 - Oorlogsperikelen 

9 April 1942 - de dood van zijn zus Annie van Eden-Klijn en de relatie met Maarten Klein

4 Mei 1942  Een schok vaart door ons Nederland. De ziel van het individu, getroffen, trilt mee. Gisteren, op Zondag, 72 Nederlanders gefusilleerd: In dit boek schrijf ik levenslessen.

 

9 April 1943   Bijna een vol jaar heb ik niet naar dit boek gegrepen. ’t Is nu kwart voor twaalf in den nacht van den dag, waarop wij Annie, mijn oudste zuster, door de onzen meestal Trijntje genoemd, naar haar graf begeleid hebben op de begraafplaats “Den en rust” te  Bilthoven.

En toch waren de ruim elf maanden, die voorbijgingen, niet zonder gerucht. Op dit oogenblik gonzen de bommenwerpers met hun last boven de vreedzame Voorburgsche woningen, elders horen wij het korte blaffen van het afweergeschut. Wij zijn er aan gewend geraakt. Het aantal van de grote raids van de Engelsche-Amerikaanse luchtvloot op de Duitsche steden en industriecentra kunnen wij niet meer becijferen. Zij vormen de vaak van dag tot dag weerkeerende oorlogsverschijnselen. Het is vooral Duitschland, dat het ontgelden moet. De bombardementen van industriewijken van Rotterdam en Eindhoven zullen evenwel den Nederlanders wel blijven heugen.

 

Ook de  oorlogspolitiek is het Nederlandsche volk niet ongemerkt voorbijgegaan. De gedwongen verplaatsing van 10.000-en productieven naar Duitschland, waardoor alle rangen en standen getroffen worden; het wegvoeren van een groot aantal plutocratenzonen – een plutocraat zou een ieder zijn met een vermogen(?) van meer dan f 10.000,- (?) - ; de evacuatie van ouden van dagen uit het Westen des lands; de afbraak van een groot aantal woningen, o.a. in Den Haag; de eisch, aan studenten gesteld, een verklaring van loyaliteit af te leggen; de stelselmatige verdrijving van het Jodendom uit de Nederlandsche gewesten; het interneeren en ter dood brengen van gijzelaars; het zijn alle feiten, die zich voordeden en slechts weinigen vermogen ze in een systeem te zien samengevoegd. Deze feiten zijn het, welke de groote Nederlandsche kerkgenootschappen tot spreken noopten. Het zijn deze feiten, los uit het geheugen samengeraapt, welke de stemmingen steeds weer beïnvloeden in den tijd, waarin aan dit boek niet geraakt werd. Wij vragen ons in dezen tijd, waarin zooveel geleden wordt, ook door Nederlandsche volks”genooten” – “genooten”, niettegenstaande van volksverbroedering toch niet kan worden gesproken – wel af, waarom het oorlogsleed in den engen zin onze deur voorbij mocht gaan. Waarom kon ik in September 1939 tegen de ambtelijke bestemming in van Oberhausen (Rhld) naar Arnhem worden overgeplaatst, waardoor ik 71/2  [zeven en half] maand concentratiekampleven ontging? Waarom meende mijn chef op het Centraal Bureau voor de Statistiek met ingang van Mei 1941 te moeten heengaan en maakte hij daarmede een plaats voor mij vrij, welke ons materieel tot een dragelijk leven in deze tijd in staat stelde? Wij weten het niet. En wij vragen ons af, hoe het mocht zijn, dat de gunstige aspecten van mijn geboortehoroscoop uitwerkten en de voorspellingen in dezen van de psychometriste, Mevrouw v.d. Bos-Teunissen, bewaarheid werden tot op de dag van heden.

 

Vandaag dus gingen wij een zwaren gang: van de familie Maarten en Kees, de man en de zoon van de overledene, Vader en Moeder Van Eden, Vader Klijn en Maartens broer, Roelof, Guus en ik. O.a. gingen met ons de vriendin van Annie, Gre Das, en “tante” Rika de Vries, die Annie zoo toegewijd verzorgde gedurende haar laatste levensmaanden en het voorrecht verwierf, het moment, waarop het leven het lichaam verliet, als eenige bij te wonen.

Kanker was de kwaal, die de dood veroorzaakte. 29 Mei 1942 geconstateerd. 2 Juni reeds volgde te Utrecht in het Diaconessenhuis het operatief wegnemen van de rechterborst. Er volgden slechts enkele maanden van lichamelijken welstand, tot driemaal toe volgde bestraling in het Anthonie Leeuwenhoekhuis te Amsterdam. Het mocht niet baten. Nog voor de beëindiging van de laatste behandelingenserie werd zij in Oktober reeds aan het ziekbed gekluisterd, voorgoed!

21 Maart zagen Guus en ik haar het laatst in leven. Van het plan, haar op dien dag onzen kleinen Jan Gerrit te laten zien, kon toen al niet meer komen. Al sedert plm. 6 weken was het verlengde ruggemerg aangetast en accepteerde de maag geen voedsel meer. Morphine-zetpillen verdoofden haar de pijnen. En toch was de oudste dochter van de ouders Van Eden zoo vertrouwd met het denkbeeld, dat de familie in Jan Gerrit een voortzetting van haar naam zou vinden. Annie, ietwat jaloersch, overigens aardend naar Moeder: rustig-blijmoedig, in zichzelf gekeerd, huiselijk, wat doodsch-plichtmatig het huishouden toegewijd, zuinig, weinig-eischend, weinig-gevend, hechtte aan den naam der familie, welke eens in Krommenie respect genoot. En het was dan ook niet te verwonderen, dat speciaal de foto van Jan Gerrit haar vergezellen moest, als zij in het Anthonie Leeuwenhoekhuis voor bestraling werd opgenomen. Zij zag hem niet sedert haar bezoek aan Guus in St Antoniushove op 21 Maart 1942. Een jaar later dus zagen Guus en ik Annie het laatst in leven, de oogen groot en wild, maar een rustig blij woord van herkennen, dankbaar voor onze, speciaal dankbaar voor mijne overkomst.

Wij vergeten deze laatste ontmoeting niet, een ontmoeting, waarbij het bloed vermocht te spreken. De broer was de zuster de laatste jaren meer nabij gekomen. Het leeftijdsverschil van 10 jaren werd door den tijd zelf overbrugd. Er was bij mij begrip voor ontstaan, hoe Annie inderdaad als meisje met haar 10 jaar jonger broertje bewust, maar volgens den aard stil, had meegeleefd. Zij had het zelf gevoeld en kortelings uitgesproken, dat wij elkaar nader waren gekomen. Deze ontwikkeling is thans beëindigd. Wij hebben vandaag de laatste eer bewezen en vragen ons voor wie de gang het zwaarst was. En onze gedachten gaan uit naar Vader en Moeder, die Annie wegens haar huishoudelijke kwaliteiten zoo hoogschatten als beantwoordende aan húnne normen.

 

Maarten, ik hoopoprecht, jou op deze bladzijde geen onrecht te doen. Ik denk aan het gesprek van 21 maart j.l., waarbij je sprak over wat je maatschappelijk reeds bereikte als adjunct-directeur van de Utrechtsche Brood- en meelfabriek. [...] Wij vragen ons af, of jij de stille, in zichzelf gekeerde vrouw, die zoozeer naar mijn moeder aardde, in het leven aan je zijde wel ten volle hebt kunnen begrijpen en waarderen. Wij vragen ons af, of jij niet ons diepste medelijden verdient, jij die door de nabestaanden vandaag en in de laatstverloopen weken bewonderd werd vanwege je onbewogen zelfbeheersching. Jou zal het leven niet klein krijgen, zeg je. Je plaatst den hoogmoed, waar de deemoed past. Waarom het leven zijn rechten niet gegeven?

 

Maarten, je bent 10 jaar ouder dan wij. Je ziet en je zag perspectieven. Zij worden je met een innig medegevoel gegund.

Annie, jouw levensdraad schijnt ontijdig afgebroken. Mocht de toekomst ons een tijsje van den sluier lichten, welke het waarom voor ons verborgen houdt. Je broer vergeet de dochter van zijn Moeder niet. De dochter van zijn Vader bleef thans alleen nog over

 

27 April - een levensles van zijn vader Jan Gerrit van Eden

27 April 1943  Gedrieen zijn wij met de Paschen in Noordholland geweest. Wederom is ons duidelijk geworden, hoe het leven ons hechter samenbindt en hoe het leven der ouderen ons ontschiet.

En toch heeft Vader mij op den 2en Paaschdag een levensles gegeven, welke mij zal bijblijven. Hij heeft mij door het verhaal van zijn harde jongelingsjaren geopenbaard, hoe hij, toen zijn familie in armoede en oneer dreigde te vervallen, streed en offerde – zoals zijn leven offer was – voor de ongekreukte overdracht van haar naam. “Streed en offerde” aan de zijde van zijn moeder, waarbij zijn verknochtheid aan zijn moeder wel vanzelf ontstaan moest. Vader heeft mij pas thans kunnen inprenten, welk een kostbaar pand de goede familienaam vormt. Pas thans is het mij duidelijk geworden, hoe gewetensvol Vader den naam Van Eden heeft weten te behouden. Ik bid om dezelfde innerlijke kracht, om hiertoe te geraken. Eens zal jij, Jan Gerrit, het werk der geslachten, maatschappelijk niet zeer beduidend, zichzelf evenwel zeer wel bewust, van je vader overnemen. Ik ben mij er van bewust, dat mijn naam mij na jouw geboorte meer waard geworden is. Deze naam is nu ook jouw naam geworden. Met jouw naam wordt niet roekeloos omgesprongen. En dus toch brengt kindergeboorte bij de ouders veranderingen in het karakter teweeg? Het is nog slechts een jaar geleden, dat ik dezen invloed in mijn geval ontkende!

  

Tekstverwerking van het geschreven manuscript: JGvE - 23 oktober 2011

 

 

In het dagboek bleven nog enkele knipsels van krantenberichten bewaard betreffende bekendmakingen door de regering en de "Hőhere S.S.- und Polizeifűhrer", waarin werkstaking word bestraft met een veroordeling en een vonnis "dat met den kogel ten uitvoer word gelegd".

Geweldadig verzet tegen het gezag van de bezetter en sabotage van infrastructuur, zoals electriciteitskabels, werden bestraft met het doodschieten van gijzelaars (vaak bekende Nederlanders die voor dit doel vast zaten in politiegevangenissen en gijzelaarskampen).

 

 

1943 - Het Vaderland 3 mei -  doodvonnissen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1943 - Het Vaderland 3 mei - Staking bij Blikfabrieken Krommenie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1942 Het Vaderland, 15 augustus - Verzetsdaden werden bestraft met het doodschieten van gijzelaars.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Back to family stories

 

 

 

inicio • fundación • actividades • coleccion • exposiciones • biografias • contacto

 Copyright Fundación van Eden-Santolaria
For problems or questions regarding this Web site contact vanes@fundacionvanes.org.es